Mijn persoonlijke ontwikkeling (update)

Je merkbelofte laten invoelen via je merkverhaal. Een voorbeeld.

De onderstaande beschrijving geeft aan hoe Wim Jurg zelf zijn huidige merkcompetenties koppelt aan zijn persoonlijke ontwikkeling.

Peutertijd

Ik ben geboren in 1957 in Schiedam. Mijn vader, Marinus Jurg, overleed toen ik twee jaar was. Hij kreeg een hersenbloeding tijdens een onderhandeling voor Itho met Amstel over een door hem ontworpen koelsysteem. Mijn eerste herinnering is dat mijn moeder zegt: “Je vader is er niet meer”; dat ik overal ging zoeken: in de keuken, onder het bed, in de kast, ….; en dat ik op een gegeven moment dit ‘spel’ echt niet leuk meer vond en ik ‘bewust’ koos om ‘nooit meer’ te gaan zoeken naar iemand die niet gevonden wil worden. Pas veel later realiseerde ik me dat het geen kwestie was van ‘willen’ maar van ‘kunnen’. Mijn moeder was toen vier maanden zwanger van mijn zusje, die ze vernoemde naar mijn vader: Marina. Zo leerde ik het belang van het koppelen van namen aan ingrijpende gebeurtenissen. Omdat mijn moeder er volledig wilde zijn voor mijn vader op zijn ziekbed, bracht ze mij naar een oom en tante in Den Haag. Ook bij de begrafenis was ik niet aanwezig, waardoor ik het afscheid van mijn vader niet kon begrijpen. Nog steeds is mijn behoefte aan begrijpen enorm. Verder herinner ik me uit deze periode dat ‘iedereen zegt’ dat ik als “de man in huis” goed moet zorgen voor mijn moeder en mijn zusje. Zorgzaamheid en verantwoordelijkheid komen dus ook al vroeg binnen bij mij. Ik begrijp nu dan ook goed dat Freud zo de nadruk legde op het effect van ervaringen in de kindertijd.

Kleutertijd

Toen ik vier jaar was, hertrouwde mijn moeder met Jurriaan Jurg, een oudere broer van mijn vader die drie maanden daarvoor zijn vrouw had verloren aan kanker, en gingen we bij hen in Utrecht wonen; mijn drie neven en mijn nicht werden nu mijn stiefbroers en -zuster. Aangezien alle broers van mijn vader hun oudste zoon Wim hadden genoemd, werd ik van de-sterke-man-in-huis nu kleine-Wim; ik werd bevrijd van mijn zorgplicht c.q. ik deed er niet meer toe. Ik leer dus al vroeg dat posities in een systeem zich kunnen wijzigen met compleet verschillende ervaringen. Tijdens hun huwelijksreis past oom Klaas op mij, die mij laat ervaren “wat papa’s met hun kinderen doen, omdat ik dat niet weet”. Wat begon als een gevoel van diep begrip, sloeg daarbij om in een dissociatie. Daardoor ben ik me nu nog zeer bewust van de impact van een empathisch en geloofwaardig verhaal en van het belang daarin van authenticiteit en integriteit. Ook leerde ik zo (te) vroeg heftige emoties te parkeren tot het moment waarop ik de tijd heb om deze goed te verwerken en te vergeven zonder te vergeten.

Basisschool

Toen ik vijf jaar was, verhuisden we naar Voorthuizen en werd mijn halfbroer geboren als teken van een verbond, dat de ouders wel maar geen van de kinderen zag zitten; noch mijn kamp, noch dat van stiefbroers en -zus. Omdat mijn (nieuwe) ‘vader’ dezelfde achternaam had als ik en Grote-Wim niet mee verhuisde, viel het niemand op dat hij niet mijn vader was. Ik leek nu ‘hetzelfde’ als anderen; maar ik had daarbij ondertussen telkens het gevoel dat ik mijn echte vader verloochende in een wereld van mooi maar onechte plaatjes. In mijn geheime foto in de lade van mijn nachtkastje is hij echter de stoere en grote aanvoerder en stopperspil van het voetbalteam. Voetballen is (dan) ook mijn grote passie en Johan Cruyff mijn grote levende held, met wie ik (onbewust) het drama van de te vroeg overleden vader deelde. Helaas kwam mijn vader niet terug om samen met mij te voetballen met de sterren van weleer, zoals in de film In Oranje. In 1968 miste ik de finale van het provinciale schoolvoetbaltoernooi, omdat ik geopereerd werd aan mijn neus. Ik snufte nogal omdat ik niet goed kon ademhalen en snuiten. Toen ik wakker werd uit de operatie, bleek de KNO-arts mijn hele neusbot tot aan de basis te hebben verwijderd met als motto: “Als je volwassen bent. krijg je wel een kunstneus”. Desondanks waren alle neus-spreekwoorden en -gezegden sindsdien traumatisch.

Middelbare school

Omdat ik goed kon leren, ging ik naar het gymnasium in Ede. Ik herinner me nog goed hoe stoer ik het vond om dit tegen anderen te vertellen. Als iemand dacht een ‘leuke’ opmerking te moeten maken over mijn neus dan zei ik iets als “Ik heb een boksersneus, omdat ik op de lagere school bokskampioen was”. Dit verzonnen verhaal hielp goed om dit soort ‘grapjes’ in te dammen. In het eerste jaar overleed mijn tweede vader. Tot mijn eigen verbazing haalde ik een ‘1’ voor de Engelse toets de volgende dag, terwijl ik dacht dit ik ‘gewoon’ goed te hebben geleerd. Het had dus veel meer invloed op me dan ik me realiseerde. Bij de begrafenis was ik verbaasd dat sommige condoleanties een enorm gevoel opriepen van begrepen worden en andere reacties bijna ‘afkeer’, zonder dat ik dit van tevoren kon voorspellen. Heel vervreemdend en fijn tegelijk was voor mij dat mijn ‘tweede vader’ bij zijn eerste vrouw wordt begraven; in ieder geval een zichtbare erkenning dat hij niet mijn vader was. Dat gaf me uiteindelijk een echt gevoel van een goede afronding (closure). Naast het lezen van sprookjes, die voor mij inspirerend en hoopvol eindigden met “en ze leefden nog lang en gelukkig”, was mijn favoriete onderwerp in de Trouw op de middelbare school – naast sport – de achterpagina over Nutteloze kennis: kennis die geen invloed op mijn dagelijks bestaan had. Mijn grote hobby werd het aanpassen en ontwikkelen van spelregels bij spelletjes: naast dammen en schaken, en een batterij aan eigen spelletjes, met als hoogtepunt mijn bijdrage in 1968 en 1969 aan de ontwikkeling van Space Race onder leiding van Gert-Jan van Elten, de enorm innovatieve en ondernemende vader van een vriend van me. Het briljante spel op het ultieme moment van de eerste stap op de maan in 1969, verkoopt tegen mijn grootse verwachtingen het niet, omdat hij  de aangeboden 5% door bestaande uitgevers niet redelijk vindt en het zelf vermarkten niet lukt ondanks zijn grote marketingervaring. De aan mij beloofde “5% van de winst”, levert uiteindelijk alleen 200 spellen op bij het overlijden van Van Elten in 2014. Iets goed in de markt zetten is dus niet alleen een kwestie van een goed product op een goed moment door een goede marketeer. Het gaat er kennelijk ook om je positie te (h)erkennen in het marktsysteem. Mocht je een spel willen hebben, dan kun je er een krijgen voor 5 euro. Verdien ik er uiteindelijk toch nog iets aan!

Studie (1975-1982)

Ik ging studeren, omdat ik genoot van niet-direct toepasbare kennis. Ik koos econometrie vanwege haar motto ‘meten is weten’. In het begin was het wennen, want ik bleek bij een groep bollebozen terecht te zijn gekomen. Waar ik op de lagere school altijd vooraan zat omdat ik de beste was en we van slimste af aan in de klas zaten, haalde ik nu als 21e en laatste mijn propedeuse van de 66. Dat was echt wennen voor me. De econometrische voorspelling van professor Rijken Van Olstt bij de introductie “Kijk links, kijk rechts, slechts één van jullie drie zie ik volgens jaar weer” klopte kwantitatief goed. Kwalitatief haperde er nog wel wat aan merkte ik aan het einde van het jaar, want ‘toevallig’ kwam ik in een subgroep terecht van zeven waarvan zes de propedeuse haalden. Gelukkig kon ik wel het beste voetballen van iedereen, ontdekte ik al gauw. ‘Dus’ organiseerde ik jaarlijks een voetbalwedstrijd van de studenten tegen de staf. Om me meer te ontwikkelen in de ‘menselijke maat’, ging ik na mijn kandidaats econometrie er psychologie bij doen. Ik volgde daar alle soorten groepstherapieën uit het doctoraal programma. Wat me het meest is bijgebleven is het dat beide studies een compleet andere cultuur hadden: waar de persoon van de prof en de medestudent er bij econometrie totaal niet toe deden en je na zeven jaar maar van een klein groepje de achternaam wist, gingen er bij psychologie in een serie van zes bijeenkomsten twee over kennismaken en twee over evalueren en afscheid nemen en ging maar eenderde van de tijd naar de inhoud. Dat een inhoudelijk verschil ook zo’n cultuurverschil met zich meebracht was echt schokkend voor me.

Voetbalcoach (1977-1993)

Inmiddels was ik niet meer van de nutteloze kennis, maar wilde ik wat doen met de dingen die ik leerde. Dat deed ik in mijn ‘bijbaan’ als voetbaltrainer en -coach bij Astrea; in het begin alleen van de jeugd, maart daarna ook van de vrouwen en tot slot ook van de mannen. Ik volgde daartoe ook de KNVB-opleidingen Jeugdkader, Scheidsrechter en Oefenmeester III, waarbij ik bij de laatste ‘afstudeerde’ op de psychologische verschillen tussen keepers, verdedigers, middenvelders en aanvallers. De eerste keer dat ik de opstelling bij de vrouwen op het bord tekende, stonden vier vrouwen aan de ‘verkeerde’ kant in het veld. Daarom stelde ik ze vervolgens voor de wedstrijd op in de kleedkamer. Ik ontdekte daarbij dat ik door non-verbale reacties direct kon voelen welke samenwerkingen succesvol zou worden en welke niet: een goede relatie operationaliseerde ik daarbij econometrisch als een situatie waarbij de afstand tussen de onderlinge hoofden kleiner was dan tussen de onderlinge voeten. Zo kon ik ter plekke de opstelling en de onderlinge afspraken psycho-logisch optimaliseren: des te beter de onderlinge verhoudingen des te meer ik de taakverdeling aan hen zelf kon overlaten. Maar ook omgekeerd: hoe minder de relatie hoe verder ik ze bij elkaar weg zette en hoe meer vaste afspraken ik maakte. De kwaliteit van de onderlinge relaties mat ik daarbij in de wedstrijden door bij te (laten) houden wie naar wie speelde en wie scoorde uit een assist van wie. Mijn succes als voetbalcoach operationaliseerde ik door de plaats op de ranglijst: in vijftien seizoenen werd mijn team tien keer kampioen.

Koninklijke Marine (1983-1984)

Toen mijn studietijd er na zeven jaar opzat in 1982, moest ik in dienst. Op basis van mijn econometrie-opleiding, werd ik gevraagd als kwantitatief planner voor de Directie Personeel van de Koninklijke Marine. De Koninklijke Marine heeft me daarbij zo goed gesocialiseerd, dat ik nu nog steeds super trots ben bij haar te hebben gediend. Mijn ‘hoogte’-punt was een opdracht voor het ontwikkelen van een econometrisch model, waaruit bleek dat het te duur was om het Leeftijd Ontslag Militairen te verhogen van 50 naar 55 jaar bij de KM. In mijn zevende versie lukt dit door ‘iedereen’ in deze laatste vijf jaren te bevorderen, waardoor de som van de pensioenuitkeringen veel hoger werd; ook ‘hielp’ het als ik iedereen beduidend langer liet leven. Tot mijn verbijstering hielden de zes Tweede Kamer-specialisten in hun bespreking van dit onderwerp dit (zevende) model voor een feit onder het mom van “Cijfers liegen niet”. Mijn bijdrage aan deze Tweede-Kamer-beslissing voelde niet authentiek en integer, dus toen ik werd gevraagd bij Intersport om toe te werken naar een eigen winkel in Haren, leek me dit een mooie nieuwe stap.

Intersport (1984-1985)

De Intersport-winkel in Groningen had in die tijd net een digitaal databasesysteem aangeschaft, waarbij tot mijn verwondering vervolgens bleek dat niemand de vele cijfers statistisch kon analyseren en interpreteren. Ik vond dit helemaal geweldig! Voorbeelden waren het effect van kortingspercentages bij opruiming in combinatie met psychologische prijsdrempels en externe factoren als het weer, vakanties en de ontvangsten van de kinderbijslag. Psychologisch verbaasde ik me hier ook praktisch weer over het effect van cijfers: zo ontdekte ik dat ik ‘geen’ schoenen aan vrouwen verkoop als ik zei dat maat 6 overeenkwam met maat 40, maar dat ik ze ‘niet aan kan slepen’ als ik zei dat maat 6 hetzelfde was als maat 39 (afgerond op helen naar beneden) of dat ik een half maatje groter zou ophalen dan maat 39. Uiteindelijk bleef echter de huidige franchisenemer in Haren toch. Toen ik vervolgens werd gevraagd een nieuwe driejarige commerciële opleiding van de Mode en Kleding Afdeling van het MDGO in Groningen vorm te komen geven, leek me dit weer een mooie nieuwe uitdaging.

MDGO Mode en Kleding (1985-1989)

Ik doceerde hier niet alleen marketing, maar ook bedrijfseconomie en recht wat mijn eigen kennis weer heerlijk verrijkte. Hoogtepunt was de systematische 1A4-beschrijving van merkformules van alle modemerken in de stad Groningen en omgeving, waardoor ik zelf ook leerde om bondig de kern van een merk te (laten) zien. Qua marktonderzoek is me vooral bijgebleven dat dezelfde mondelinge enquêtes volledig omgekeerde resultaten gaven als de leerlingen gekleed gingen als punker of als kakker; over welk onderwerp het ook ging. Kennelijk was de interviewer veel belangrijker dan de onderzoekswereld wilde weten. Toen na drie jaar alle acht commerciële studenten slaagden en het jaar daarop veertien van de zestien bij een landelijk gemiddelde van 15% c.q. 20%, had ik behoefte aan een nieuwe uitdaging. Mijn stiefbroer Jurriaan was in 1984 James Telesuper begonnen, maar had na vier jaar nog geen idee waarin zijn klanten nu precies verschilden van mensen die niet via computers hun boodschappen bestelden. Wel had hij een enorme hoeveelheid data en vroeg hij me of ik deze statistisch wilde analyseren. Tot mijn verbazing bleek inderdaad geen enkele psychografische variabele significant. De enige significante variabele bleek het wel/ niet aanwezig zijn van een plaatje van het product! De variabele die ik op eigen initiatief had opgenomen in mijn regressieanalyse. En die verklaarde nota bene 80%! Ze waren bij Ahold zo te spreken over mijn analyse, dat ze me vroegen om soortgelijke analysen te gaan doen in de VS onder voorwaarde dat ik zelf mijn visum regelde. Dat leek me wel wat, dus zegde ik mijn baan op bij het MDGO en ging ik aan de slag om mijn visum te regelen.

Jurg & Jurg (1989-2007)

Het bleek echter dat het verkrijgen van een visum binnen de Amerikaanse bureaucratie niet mijn specialiteit was. Toen ik ‘tussendoor’ door diverse organisaties werd gevraagd om merkonderzoek en -introducties uit te voeren waaronder Tempo Team, Dienst OCSW van de Gemeente Groningen en Heydi Nederland, kwam ik automatisch terecht in de rol van kleine zelfstandige. Maar alleen was ook maar alleen, dus deed ik het formeel samen met mijn halfbroer. Jurg & Jurg deed het daarbij uitstekend als merknaam, omdat ze sterk positief bleek te resoneren op Kuifjes Janssen en Janssen. Op den duur paste echter noch de naam noch de half-broederlijke samenwerking goed bij wie wij waren. Bovendien werd mijn eigenwijsheid en ‘zoektocht naar waarheid’ niet door alle klanten gewaardeerd. Ik vond dat het tijd was om mijn lot in eigen handen te nemen en te gaan voor mijn eigen bewuste droombaan.

Open Universiteit (1990-2016)

Ik zag een advertentie voor de Open Universiteit met als slagzin eigenwijs studeren en besloot te solliciteren. Toen ik thuiskwam van het sollicitatiegesprek, was op mijn antwoordapparaat ingesproken dat ik de ideale kandidaat voor hen was: zoveel slagkracht gecombineerd met zoveel inzicht 🙂 was natuurlijk helemaal passend bij mijn idealiteit! In de periode van 1990 tot 2015 werkte ik met bijzonder veel genoegen als universitair docent. Elke paar jaar gaf ik wel weer een nieuwe cursus aan nieuwe studenten, waardoor ik me zelf breed kon ontwikkelen: internationale marketing, marktonderzoek, marketingplanning, management game, methodologie, veranderkunde, etc. Vanuit het ‘eigenwijs studeren’ gaf ik studenten daarbij alle ruimte om de gegeven opdrachten zodanig te interpreteren, dat ze aansloten bij hun werk en hun persoonlijke (on)bewuste kennis. Zo ontstonden prachtige inzichten in praktijkvraagstukken op basis van wetenschappelijke theorie; zowel voor de studenten als voor mij. Tussen 2005 en 2015 werd ik het meest genoemd door studenten als ‘inspirerende docent’ tijdens hun opleiding bij hun slotevaluaties. De waardering van deze ‘eigenwijze’ studenten was daarbij ook een geweldige inspiratiebron voor me. In 2013 liet de Open Universiteit echter het ‘eigenwijs studeren’ los en koos ze voor een nieuwe strategie van standaardisatie en inperking. Deze keuze liet weinig ruimte voor kennisontwikkeling vanuit de (on)bewuste kennis van studenten en een goed leerproces. Mijn passie om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke en bedrijfsmatige ontwikkeling kwam daarmee zo onder druk te staan, dat ik besloot mijn energie in de nieuwe richting aan te wenden die zich de afgelopen tien jaar had ontvouwd dankzij de Open Universiteit.

Promotieonderzoek

In 2000 had het bestuur van de Open Universiteit namelijk besloten om niet-gepromoveerde medewerkers de mogelijkheid te bieden om gedeeltelijk in werktijd te promoveren. Als eerste onderwerp dacht ik aan de privatisering van de ziekenfondsen, de Gasunie en de NS. Maar – achteraf gelukkig – zei Hans Doorewaard, mijn eerste promotor van de Radboud Universiteit Nijmegen “Denk je nu echt dat Nederland zit te wachten op jouw mening hierover? Heb je niet iets dat je persoonlijk boeit?” Ik had zojuist via mijn halfbroer met een methodiek kennis gemaakt om mensen bewust te maken van hun onbewuste kennis: ‘systeemopstelling’ of ‘familiepositionering’ zoals deze methodiek oorspronkelijk heet. Bovendien sloot de methodiek ook nog eens precies aan bij mijn ervaringen als voetbalcoach. Ik zag direct de toepassing op merkvraagstukken voor me: 99% van de binnenkomende informatie verwerken we onbewust en dat geldt ook voor merkmanagers. Volgens mijn promotor was dit het ideale promotieonderwerp: het toepassen van een bestaande methodiek in een ander vakgebied. De Nederlandse specialist in het begeleiden van systeemopstellingen voor organisaties, Jan Jacob Stam, bleek vervolgens van harte bereid om deze merkopstellingen uit te voeren in het kader van mijn promotieonderzoek. Vervolgens ‘adviseerde’ de visitatiecommissie bij haar onderzoek naar de Open Universiteit in 2002 om studenten meer te betrekken bij het promotieonderzoek. Daarom vroeg decaan Herman van de Bosch aan me om scriptie-studenten bij mijn promotieonderzoek te betrekken. In de periode tot 2015 studeerden ruim veertig studenten af op deze methodiek, wat tot veel nieuwe inzichten in deze methodiek heeft geleid. Deze nieuwe inzichten zorgden wel voor wat vertraging in de afronding van mijn promotieonderzoek, maar in 2010 rondde ik het af naar grote tevredenheid van alle betrokkenen.

Merkopstelling

Praktisch unaniem gaven alle merkverantwoordelijken die deelnemen aan het onderzoek aan dat de methodiek zeer behulpzaam was bij het doordenken van merkbeslissingen en dat de methode hen bewust had gemaakt van (vooraf) onvoorziene effecten van merkbeslissingen op de relaties tussen de diverse interne en externe merkelementen. Ook voor mij persoonlijk boden de experimenten met de methodiek bijzondere ervaringen, zoals een opstelling over mijn affiniteit met Miele. In deze merkopstelling ervoer ik hoe dit wasmachine-merk voor mij verbonden was met de merkbeloften Gaat een leven lang mee en Er is geen betere en bleken te resoneren op mijn vroeg overleden vader: er was geen betere vader voor mij, al had hij langer moeten leven. Zo verwerkte ik alsnog de dood van mijn vader. Ik volgde de opleiding ‘systeemopstellingen’ en meerdere seminars van alle Duitse prominenten van deze methode zoals Bert Hellinger, Gunthard Weber, Hunter Beaumont, Albrecht Mahr, Jakob Schneider, Matthias Varga von Kibed, Michael Blumenstein, Marianne FrankeUrsula Franke en Franz Ruppert. In 2007 richt ik The Constellation Company op: de onderneming voor wetenschappelijk verantwoorde opstellingen. Ik was zo enthousiast over de methodiek, dat ik naast merkopstellingen veel te veel varianten ontwikkelde waardoor ik mijn focus verloor: naast de hoofdvariant merkopstellingen bijvoorbeeld begroting-, geluk-, innovatie-, project-, scriptie-, studie- en teamopstellingen.

Wim Jurg Merkontwikkeling

De ontwikkelingen bij de Open Universiteit en The Constellation Company maakten dat ik terugging naar mijn kern en kwam tot Wim Jurg Merkontwikkeling: gericht op goede beslissingen door managers van Nederlandse merken. Zo verbind ik nu mijn praktische en theoretische kennis van Nederlandse merken met mijn opleidingen econometrie en psychologie en mijn affiniteit met meer mogelijk maken. Via de integratie van objectieve statistische analyses van ‘big data’ en subjectieve kennis, gevoelens en wensen van ambitieuze managementteams, maak ik nu meetbaar meer mogelijk voor merken van Nederlandse MKB-bedrijven en hun klanten.

Persoonlijke ontwikkeling

Met dit onderdeel sluit ik dit verhaal af. Mijn affiniteit met meer mogelijk maken heb ik ontdekt in de opvoeding van de twee kinderen samen met Hanna ten Zijthoff, Daniël (1993) en Jessica (1995). Onze opvoeding was er altijd op gericht om ze bewust te maken van twee of drie opties en ze te stimuleren daar dan zelf een keuze uit te maken. In 2015 kwam het dus tot een pijnlijk afscheid van de Open Universiteit en in 2016 van Hanna. Daarbij heb ik veel tijd nodig gehad om de nieuwe kansen te zien die dit voor mij bood. Daarbij ben ik uitermate dankbaar aan mijn vrienden die me privé hier doorheen hebben geholpen en mijn persoonlijke bedrijfscoach die me hier zakelijk heeft ondersteund: Marten Disberg. Uiteraard kan ik zelf ook niet zien zonder spiegel en zie ik de dingen pas als ik ze doorheb. Op 21 februari 2020 heb ik afscheid genomen van mijn boksverhaal door het herstel van mijn neus; geen kunstneus maar een mooie rechte van een echt bot uit mijn eigen rib met grote dank aan de KNO-arts uit Leeuwarden: Van den Berge. De update van mijn neus staat voor mij symbool voor het omzetten van mijn jeugdtrauma’s in merkcompetenties: van crisis naar kans. Alle neus-spreekwoorden en -gezegden kunnen nu weer worden gebruikt in mijn nabijheid! Echt bijzonder hoe positief deze fysieke verandering psychisch op me doorwerkt. De foto bij deze update van mijn levensverhaal is dan ook met de nieuwe neus en … compleet met een modern baardje!

Je merkcompetenties ontwikkelen?

Wees slim, neem Wim:

06 107 44 198  / merkontwikkeling@wimjurg.nl

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.